Wat levert hetzelfde bedrag opzijgezet netto op via een lijfrente, opgepot in de BV, of belegd in Box 3? Alles doorgerekend tot netto besteedbaar op je opnameleeftijd.
De lijnen tonen de potwaarde (vóór heffing), niet de netto uitkeringsstroom. Tijdens de opname varieert het netto besteedbare bedrag per jaar licht; voor het totaal maakt dat niet uit.
Totale heffing = alle Vpb, Box 1, Box 2, Box 3 en Zvw over de hele looptijd (nominaal). Netto rendement = netto opname minus je totale netto-inleg. Effectieve druk = heffing als aandeel van het brutoresultaat (heffing + netto opname).
Eenheid. Je kiest of het invoerbedrag netto privé is (wat het je uit eigen zak kost) of bruto vóór belasting (loon/winst-equivalent). De tool rekent het andere af via je Box 1-tarief nu, en zet per route evenveel opoffering in.
Uitkeringsfase — jaar voor jaar. Op de opnameleeftijd wordt de pot niet in één klap afgerekend. De pot groeit door tijdens de opname; elk jaar wordt een (annuïteit-)bedrag onttrokken en pas dán belast. De lijfrente groeit belastingvrij door en wordt per uitkering progressief in Box 1 belast: je overige inkomen (AOW e.d.) vult eerst de lage schijf (~19% ná AOW), de lijfrente daarbovenop tegen het hoge tarief; plus Zvw tot het maximumbijdrage-inkomen. De BV wordt gespreid als dividend uitgekeerd, zodat de lage Box 2-schijf (24,5% tot €68.843 p.p.) elk jaar opnieuw wordt benut.
Lijfrente — twee framings naast elkaar. Beide gaan uit van dezelfde opoffering. Het deel van de inleg dat boven de jaarruimte uitkomt, is niet aftrekbaar en wordt privé in Box 3 belegd (gaat dus niet verloren).
• Gelijke netto-kosten: omdat de inleg aftrekbaar is, levert C netto een aftrekbare inleg van C/(1−tarief nu) op — gemaximeerd op de jaarruimte, restnetto naar Box 3.
• Bruto-inleg + teruggave herbeleggen: je legt nominaal hetzelfde in als in Box 3, de teruggave én het niet-aftrekbare meerdere gaan naar een Box 3-zijpotje.
BV — vereenvoudigd model. Het bruto-equivalent blijft als winst in de BV, inleg-Vpb erop. De Vpb wordt progressief geheven (19% tot €200k jaarwinst, 25,8% daarboven) over het directe rendement én de gerealiseerde koerswinst. De koerswinst zelf is uitgesteld en wordt pas bij realisatie (verkoop tijdens de opname) belast — conform goed koopmansgebruik voor een buy-and-hold effectenportefeuille. Vastgoed, obligaties, beleggingsfondsen of derivaten kunnen onder andere waarderingsregels vallen en eerder belast worden. De uitkering is volledig Box 2-dividend: opgepotte winst is geen gestort kapitaal. Alleen écht formeel gestort kapitaal/agio (apart in te vullen) komt belastingvrij terug. Box 2 wordt gespreid per jaar zodat de lage schijf telkens wordt benut.
Box 3. C wordt privé belegd. T/m 2027 forfaitair (peildatum 1 januari, forfait × tarief boven het heffingsvrij vermogen), vanaf 2028 het werkelijk-rendementstelsel (tarief over de jaarlijkse aanwas na heffingsvrij resultaat). Onttrekkingen zijn onbelast (al belast tijdens opbouw/opname).
Vereenvoudigingen. Nominaal (geen inflatiecorrectie). De annuïteit is benaderd op een vast netto-groeitempo, waardoor de netto uitkering per jaar licht varieert. De Box 1-uitkering wordt met twee schijven benaderd; werkelijke schijven, heffingskortingen en ouderenkorting-afbouw zijn niet exact gemodelleerd. Heffingsvrij vermogen en heffingsvrij resultaat worden per route apart toegepast (zet het heffingsvrij vermogen op €0 als je het elders al benut). Geen modellering van de schuldendrempel of de Wet excessief lenen (€500k). Controleer uitkomsten tegen je eigen berekening.